Kies het goede woord: Mijn moeder is ziek. Ik bel ___ elke dag.
Choose the correct word: My mother is ill. I call her every day.
Voor een vrouw is de voorwerpsvorm haar. zij is de onderwerpsvorm en hem is voor een man.
Grammatica · Onderwerp 5 · A1 · 8 vragen · ongeveer 11 minuten · Gratis
Persoonlijke voornaamwoorden
In het Nederlands hebben voornaamwoorden een vorm als onderwerp (ik, jij, hij) en een vorm als voorwerp (mij, jou, hem). Je leert wanneer je welke vorm gebruikt en welke korte vormen (je, ze, we, me) je vaak hoort als mensen praten.
In sommige talen laat je het onderwerp vaak weg, omdat de uitgang van het werkwoord laat zien wie het doet. In het Nederlands zeg je het onderwerp bijna altijd: Ik kom. Ook zijn er aparte voornaamwoorden voor het voorwerp, zoals mij, hem en haar.
In dit onderwerp leer je de vormen als onderwerp en als voorwerp, het verschil tussen een man, een vrouw en een ding, en de korte vormen die je in gesprekken vaak hoort (je, ze, we, me).
De middelste kolom laat zien wie iets doet (het onderwerp). De rechterkolom laat zien op wie of wat de handeling gericht is (het voorwerp). De vormen tussen haakjes zijn korte vormen zonder nadruk; die gebruik je heel vaak als je praat.
| onderwerp | voorwerp | |
|---|---|---|
| 1e persoon enkelvoud | ik | mij (me) |
| 2e persoon enkelvoud | jij (je) | jou (je) |
| beleefd | u | u |
| 3e persoon (man) | hij | hem |
| 3e persoon (vrouw) | zij (ze) | haar |
| 3e persoon (het-woord) | het | het |
| 1e persoon meervoud | wij (we) | ons |
| 2e persoon meervoud | jullie | jullie |
| 3e persoon meervoud | zij (ze) | hen / hun (ze) |
Het voornaamwoord als voorwerp komt na het werkwoord of na een voorzetsel: Ik zie hem. / Dit is voor jou. Het Nederlands gebruikt één woord, of het nu gaat om 'iemand zien' of 'iemand iets geven': Hij helpt mij. / Bel me morgen.
Voor 'zij (meervoud)' als voorwerp zeg je in gesprekken meestal ze: Ik bel ze morgen. In geschreven taal gebruik je na een voorzetsel hen (met hen), en als je iemand iets geeft hun (Ik geef hun een cadeau.). Voor A1–A2 is het genoeg als je ze kent.
jij, zij, wij, mij zijn vormen met nadruk. Je gebruikt ze om een persoon extra te noemen of te vergelijken: Ik werk, maar jij niet. In een normaal gesprek klinken de korte vormen natuurlijker: Waar woon je?, We gaan naar huis., Ze is ziek.
Let op: ze betekent 'zij (één vrouw)' en ook 'zij (meervoud)'. Welke het is, zie je aan het werkwoord: ze werkt (één vrouw), ze werken (meer mensen). Ook voor dingen gebruik je een voornaamwoord: voor de-woorden meestal hij/hem, voor het-woorden het: De fiets? Hij is kapot. / Het boek? Ik heb het al.
Let op de plaats van de voornaamwoorden: het onderwerp staat voor of direct na het werkwoord, het voorwerp staat meestal na het werkwoord.
Gebruik u bij volwassenen die je niet kent, bij officiële instanties en bij oudere mensen: Kunt u mij helpen? u is hetzelfde voor één persoon en voor meer personen, en het werkwoord vervoeg je meestal zoals bij jij: u woont, u bent. Bij familie, vrienden en kinderen gebruik je jij/je.
Leer nieuwe voornaamwoorden niet los, maar in korte zinnetjes: Ik bel je. / Ik zie je morgen. / Kunt u mij helpen? Deze zinnetjes kun je meteen gebruiken als je praat.
In sommige talen kun je praten zonder het onderwerp te noemen. Daarom vergeten veel leerders in het Nederlands het voornaamwoord. Kom morgen klinkt als een bevel; wil je zeggen dat je morgen komt, dan zeg je Ik kom morgen.
Een andere fout is de onderwerpsvorm gebruiken in plaats van de voorwerpsvorm: Ik zie hij is fout, Ik zie hem is goed; Dit is voor ik is fout, Dit is voor mij is goed. Na een voorzetsel komt altijd de voorwerpsvorm: met mij, voor jou, bij haar, naast ons.
Kies het goede woord: Mijn moeder is ziek. Ik bel ___ elke dag.
Choose the correct word: My mother is ill. I call her every day.
Voor een vrouw is de voorwerpsvorm haar. zij is de onderwerpsvorm en hem is voor een man.
Kies het goede woord: Mijn moeder is ziek. Ik bel ___ elke dag.