Naar de inhoud

Grammatica · Onderwerp 4 · A1 · 8 vragen · ongeveer 12 minuten · Gratis

De tegenwoordige tijd: het presens

Het presens: werkwoorden in de tegenwoordige tijd

In het Nederlands verandert het werkwoord in de tegenwoordige tijd met het onderwerp: ik werk, jij werkt, wij werken. Je leert hoe je de stam vindt, wanneer je -t toevoegt, de spellingsregels en onregelmatige werkwoorden zoals zijn en hebben.

Uitleg

Wat is het presens?

In het Nederlands gebruik je het presens (de tegenwoordige tijd) voor dingen die nu gebeuren en voor gewoontes: Ik werk nu. / Ik werk elke dag. Voor 'nu bezig zijn' en 'altijd doen' heeft het Nederlands maar één tijd.

Je gebruikt het presens ook voor de nabije toekomst: Morgen ga ik naar de markt. Daarom gebruik je deze tijd het meest in alle delen van het examen. Het goede nieuws: de vervoeging is heel simpel, er zijn maar drie vormen.

Stam + uitgang

Zoek eerst de stam (stam) van het werkwoord: haal -en van de infinitief af. werken → werk, drinken → drink. Zet daarna de juiste uitgang erachter, passend bij het onderwerp.

ik → alleen de stam: ik werk. jij, u, hij, zij, het → stam + t: jij werkt, hij werkt. wij, jullie, zij (meervoud) → infinitief: wij werken, jullie werken. Eindigt de stam al op -t? Dan komt er geen tweede t bij: zitten → ik zit, hij zit.

  • Ik werk in een bakkerij.I work in a bakery.
  • Mijn zus werkt in een ziekenhuis.My sister works in a hospital.
Vervoegingstabel

In de tabel staan twee regelmatige werkwoorden en twee belangrijke onregelmatige werkwoorden. zijn en hebben volgen de regel niet; die moet je uit je hoofd leren. u vervoeg je meestal zoals jij; bij hebben zijn u hebt en u heeft allebei goed.

werkenwonenzijnhebben
ikwerkwoonbenheb
jij / jewerktwoontbenthebt
uwerktwoontbenthebt / heeft
hij / zij / hetwerktwoontisheeft
wij / wewerkenwonenzijnhebben
julliewerkenwonenzijnhebben
zij / ze (meervoud)werkenwonenzijnhebben

Spellingsregels

Als je de stam schrijft, moet de klank hetzelfde blijven. Lange klinker: heeft de infinitief één klinker + één medeklinker (wonen, lopen, maken), dan schrijf je de klinker in de stam twee keer: ik woon, ik loop, ik maak. Dubbele medeklinker: heeft de infinitief een dubbele medeklinker (zitten, bellen, liggen), dan valt er in de stam één weg: ik zit, ik bel, ik lig.

v en z: Nederlandse woorden eindigen niet op v of z. Daarom wordt het leven → ik leef, reizen → ik reis, verhuizen → ik verhuis. De uitgang blijft hetzelfde: hij leeft, zij reist.

  • Ik loop elke dag naar mijn werk.I walk to work every day.
  • Hij leeft gezond: hij eet veel groente.He lives a healthy life: he eats a lot of vegetables.

Uit het dagelijks leven

Let in deze zinnen op hoe het werkwoord verandert met het onderwerp. Lees elke zin hardop.

  • Ik ben moe, maar ik werk vandaag tot zes uur.I'm tired, but today I'm working until six o'clock.
  • Mijn man heeft een nieuwe baan.My husband has a new job.
  • Wij eten meestal om zes uur.We usually eat at six o'clock.
  • Spreekt u Engels?Do you speak English?
  • De kinderen gaan met de fiets naar school.The children go to school by bike.
  • Zij leest elke avond een boek.She reads a book every evening.
Korte werkwoorden en vragen

Korte werkwoorden zoals gaan, staan, doen en zien hebben ook een korte stam: gaan → ik ga, jij gaat, wij gaan; staan → ik sta; doen → ik doe, hij doet; zien → ik zie, zij ziet. De stam van komen is kom, niet koom.

Belangrijk: staat jij of je na het werkwoord, dan valt de -t weg: jij woont, maar Woon jij hier? en Morgen werk je thuis. Deze regel geldt alleen voor jij/je: Woont u hier?, Werkt hij morgen? Meer over de woordvolgorde lees je in het onderwerp 'Woordvolgorde'.

Veelgemaakte fouten

In sommige talen laat je het onderwerp weg, omdat de uitgang van het werkwoord al laat zien wie het doet. In het Nederlands moet het onderwerp er altijd bij: Werk in Utrecht is fout, Ik werk in Utrecht is goed.

Veel leerders zetten ook bij ik een -t: ik werkt is fout, ik werk is goed. Een andere fout is hebben gebruiken bij leeftijd: niet Ik heb 30 jaar, maar Ik ben 30 jaar. Vergeet ook de spellingsregel niet: niet ik woonn of ik won, maar ik woon; niet ik reiz, maar ik reis.

Woorden die je moet kennen

Voorbeeldvragen

1 / 8
Afbeelding bij de vraag
Vraag 1

Kies de goede vorm: Ik ___ in Amsterdam.

Choose the correct form: I live in Amsterdam.

Bij ik gebruik je alleen de stam: wonen → woon. De lange oo-klank schrijf je in de stam met twee letters.

Test jezelf

1 / 8
0 van 8 beantwoord · 0 goedJe antwoorden worden op dit apparaat bewaard.
Afbeelding bij de vraag
Vraag 1

Kies de goede vorm: Ik ___ in Amsterdam.

Kies een antwoord

Mijn antwoorden

Onderwerp klaar?

Test wat je hebt geleerd in een proefexamen Lezen of Luisteren.

Naar de proefexamens