Kies het goede woord: Ik heb ___ auto.
Choose the correct word: I don't have a car.
In de positieve zin staat een auto; een zelfstandig naamwoord met een maak je negatief met geen.
Grammatica · Onderwerp 7 · A1 · 8 vragen · ongeveer 12 minuten · Gratis
In het Nederlands zijn er twee manieren om een zin negatief te maken: met geen en met niet. Je leert wanneer je welk woord gebruikt, waar niet in de zin staat en woorden zoals nooit, niemand en niets.
In sommige talen maak je een zin negatief met een uitgang aan het werkwoord. In het Nederlands verandert het werkwoord niet; je zet niet of geen in de zin: Ik werk niet. / Ik heb geen auto.
De regel lijkt simpel, maar de plaats van niet vinden veel leerders moeilijk. In dit onderwerp leer je eerst geen en daarna stap voor stap de plaats van niet.
Met geen maak je een zelfstandig naamwoord met een of zonder lidwoord negatief: Ik heb een fiets. → Ik heb geen fiets. / Ik drink koffie. → Ik drink geen koffie. / Hij heeft kinderen. → Hij heeft geen kinderen.
Dus geen = niet + een; je zegt niet niet een. Staat er voor het zelfstandig naamwoord een woord zoals de, het, mijn of deze, dan gebruik je niet geen, maar niet: Ik zie de bus niet.
De basisregel: niet gaat meestal naar het eind van de zin: Ik werk vandaag niet. / Ik ken die man niet. Staat er in de zin een tweede werkwoord, een voltooid deelwoord of een los voorvoegsel, dan staat niet daarvoor: Ik kan morgen niet komen. / Ik heb niet gebeld. / Hij belt me niet op.
niet staat ook voor een bijvoeglijk naamwoord, voor een deel dat begint met een voorzetsel en voor een woord dat zegt 'hoe': Het huis is niet groot. / Ik woon niet in Amsterdam. / Hij rijdt niet snel.
Kijk in elke regel waar niet staat: voor of achter welk woord? In de laatste regel staat een, daarom gebruik je geen.
| situatie | positief | negatief |
|---|---|---|
| één werkwoord | Ik werk vandaag. | Ik werk vandaag niet. |
| bepaald voorwerp | Ik zie de bus. | Ik zie de bus niet. |
| bijvoeglijk naamwoord | De soep is warm. | De soep is niet warm. |
| deel met voorzetsel | Ze woont in Delft. | Ze woont niet in Delft. |
| modaal + infinitief | Ik kan komen. | Ik kan niet komen. |
| perfectum | Ik heb gebeld. | Ik heb niet gebeld. |
| een + zelfstandig naamwoord | Ik heb een auto. | Ik heb geen auto. |
Er zijn nog meer negatieve woorden: nooit (op geen enkel moment), niemand (geen enkele persoon), niets of in gesprekken niks (geen enkel ding), nergens (op geen enkele plaats). Met deze woorden gebruik je niet ook nog niet: Ik zie niemand.
In sommige talen is een dubbele ontkenning normaal. In het Nederlands is één ontkenning genoeg: Ik zie niet niemand is fout. Wil je op een negatieve vraag 'nee, juist wel' antwoorden, dan gebruik je jawel of toch wel: Kom je niet? – Jawel, ik kom wel!
Deze zinnen hoor en gebruik je heel vaak in het dagelijks leven en op het spreekexamen.
Weet je niet of het geen of niet moet zijn? Kijk naar de positieve zin en vraag jezelf: staat er *een* voor het zelfstandig naamwoord, of helemaal geen lidwoord? Zo ja, dan geen. In alle andere gevallen niet.
Geef op het spreekexamen korte, maar hele antwoorden: Nee, dat weet ik niet. / Nee, ik heb geen kinderen. / Nee, nog niet. Een hele zin in plaats van alleen Nee laat beter zien hoe goed je Nederlands is.
In sommige talen zit de ontkenning in het werkwoord en staat het werkwoord achteraan. Daarom wil je niet misschien voor het werkwoord zetten: Ik niet werk is fout, Ik werk niet is goed. Ook bij een modaal werkwoord komt niet na de persoonsvorm: Ik niet kan komen is fout, Ik kan niet komen is goed.
Een andere veelgemaakte fout is niet bij een zelfstandig naamwoord met een: Ik heb niet een auto is fout, Ik heb geen auto is goed. Ook als je zegt dat iets er niet is, gebruik je geen: Er is geen brood.
Kies het goede woord: Ik heb ___ auto.
Choose the correct word: I don't have a car.
In de positieve zin staat een auto; een zelfstandig naamwoord met een maak je negatief met geen.
Kies het goede woord: Ik heb ___ auto.