Naar de inhoud

Grammatica · Onderwerp 1 · A1 · 11 vragen · ongeveer 13 minuten · Gratis

de / het: de lidwoorden

De lidwoorden de en het

In het Nederlands staat voor elk zelfstandig naamwoord de of het. Je leert de regels die je helpen raden welk lidwoord een woord krijgt, en de meest gemaakte fouten.

Uitleg

Twee lidwoorden: de en het

Als je taal geen grammaticaal geslacht of bepaald lidwoord heeft, vind je de en het in het begin misschien vreemd. In het Nederlands zet je de of het voor een zelfstandig naamwoord als je het over iets bepaalds hebt: de man, het huis. Ongeveer twee derde van de woorden krijgt de, de rest het.

Het onbepaald lidwoord is altijd hetzelfde: een man, een huis. Goed nieuws: met een paar regels kun je bij veel woorden raden welk lidwoord ze krijgen.

Deze woorden krijgen de

Meervouden krijgen altijd *de*: het huis → de huizen, het kind → de kinderen.

Mensen en beroepen krijgen meestal de: de man, de vrouw, de leraar. Woorden die eindigen op -ing, -heid, -tie en -teit krijgen ook altijd de: de woning, de gezondheid, de informatie, de universiteit. De meeste namen van fruit en bomen krijgen ook de: de appel, de boom.

  • De kinderen spelen buiten.The children are playing outside.
  • De woning is klein maar gezellig.The home is small but cosy.

Deze woorden krijgen het

Verkleinwoorden (op *-je*, *-tje*, *-pje*) krijgen altijd *het*: het meisje, het huisje, het kopje.

Een infinitief die je als zelfstandig naamwoord gebruikt, krijgt ook het: het eten, het leven. Namen van talen (het Nederlands, het Turks) en de meeste woorden op -ment, -isme en -um krijgen het: het document, het toerisme, het museum. Veel woorden die beginnen met ge-, be- en ver- krijgen ook het (het gesprek, het begin, het verhaal), maar op deze regel zijn uitzonderingen.

  • Het meisje leest een boek.The girl is reading a book.
  • Het eten is klaar.The food is ready.

Bij samengestelde woorden beslist het laatste deel

In het Nederlands kun je twee woorden samenvoegen tot een nieuw woord: de fiets + het pad → het fietspad. Bij deze samengestelde woorden bepaalt altijd het laatste deel het lidwoord. het huis + de deur → de huisdeur; de trein + het station → het treinstation.

Deze regel is heel handig, want de meeste lange woorden uit het dagelijks leven zijn samengesteld: de zorgverzekering (de verzekering), het rijbewijs (het bewijs), de huisarts (de arts). Zie je een lang woord, kijk dan naar het laatste deel en gebruik het lidwoord van dat deel.

  • Het fietspad is smal.The cycle path is narrow.
  • De huisdeur staat open.The front door is open.
  • Het treinstation ligt in het centrum.The train station is in the centre.
Wat verandert er door het lidwoord?

Het lidwoord is meer dan alleen de of het; het bepaalt ook welk woord je gebruikt voor 'deze/dit' en 'die/dat', en de uitgang van het bijvoeglijk naamwoord. Kijk goed naar de tabel: bij het-woorden krijgt het bijvoeglijk naamwoord na een geen -e. In het meervoud is alles weer zoals bij de-woorden: deze boeken, die stoelen.

de-woordhet-woord
bepaaldde stoelhet boek
onbepaaldeen stoeleen boek
deze / ditdeze stoeldit boek
die / datdie stoeldat boek
een + bijvoeglijk naamwoordeen grote stoeleen groot boek
meervoudde stoelende boeken
Snelle controlelijst

Kom je een nieuw woord tegen, controleer deze lijst dan van boven naar beneden. Past geen enkele regel? Kijk dan in het woordenboek; weet je het niet zeker, dan is de vaker goed.

Kenmerk van het woordLidwoordVoorbeeld
meervouddede huizen
eindigt op -je, -tje, -pjehethet kopje
eindigt op -ing, -heiddede woning, de vrijheid
eindigt op -tie, -teitdede politie, de universiteit
eindigt op -ment, -um (meestal)hethet document, het centrum
infinitief als zelfstandig naamwoordhethet eten
naam van een taalhethet Nederlands
samengesteld woorddat van het laatste deelhet fietspad, de huisdeur

Voorbeeldzinnen

Kijk hoe de lidwoorden in een zin worden gebruikt. Lees elk zelfstandig naamwoord hardop met het lidwoord erbij.

  • De trein is te laat.The train is late.
  • Het weer is vandaag mooi.The weather is nice today.
  • Dit boek is van mijn zus.This book belongs to my sister.
  • Deze fiets is nieuw.This bike is new.
  • Het meisje woont in een groot huis.The girl lives in a big house.
Truc om te onthouden

Leer een nieuw zelfstandig naamwoord nooit zonder lidwoord. Schrijf op je woordkaart niet huis, maar het huis. Kleuren helpen ook veel: schrijf de-woorden in het blauw en het-woorden in het rood.

Als je het niet zeker weet, is de statistisch de veiligste keuze, want de meeste woorden krijgen de. In het woordenboek staat het lidwoord meestal direct naast het woord.

Veelgemaakte fouten

Je probeert het lidwoord misschien te raden uit de betekenis van het woord. Maar in het Nederlands heeft het lidwoord meestal niets met de betekenis te maken: het meisje is een meisje, maar krijgt het, omdat het woord op -je eindigt.

Een andere veelgemaakte fout is het in het meervoud: het boeken is fout, de boeken is goed. En dit en dat gebruik je alleen bij het-woorden: niet dit fiets, maar deze fiets.

Veelgemaakte fouten (2)

Deze fouten zie je heel vaak op het examen. Lees de foute en de goede vorm naast elkaar:

Het auto is rood. → De auto is rood. · De weer is mooi. → Het weer is mooi. · het mensen → de mensen · Deze huis is groot. → Dit huis is groot. · een mooie huis → een mooi huis. Meer over de uitgang van bijvoeglijke naamwoorden lees je bij het onderwerp 'Bijvoeglijke naamwoorden: wanneer komt er -e?'.

Woorden die je moet kennen

Voorbeeldvragen

1 / 11
Afbeelding bij de vraag
Vraag 1

Kies het juiste lidwoord: ___ huis is groot.

Choose the correct article: The house is big.

huis is een het-woord: het huis. In het meervoud wordt het de huizen.

Test jezelf

1 / 11
0 van 11 beantwoord · 0 goedJe antwoorden worden op dit apparaat bewaard.
Afbeelding bij de vraag
Vraag 1

Kies het juiste lidwoord: ___ huis is groot.

Kies een antwoord

Mijn antwoorden

Onderwerp klaar?

Test wat je hebt geleerd in een proefexamen Lezen of Luisteren.

Naar de proefexamens