Kies de goede vorm: Hij ___ goed koken.
Choose the correct form: He can cook well.
kunnen is onregelmatig: hij kan, zonder -t.
Grammatica · Onderwerp 11 · A1 · 8 vragen · ongeveer 13 minuten
Modale werkwoorden
Leer de werkwoorden kunnen (in staat zijn), moeten (verplicht zijn), willen (graag iets doen), mogen (toestemming hebben), hoeven en zullen. Je ziet hoe je ze vervoegt, dat het tweede werkwoord naar het eind gaat en wat ze betekenen in officiële teksten.
Modale werkwoorden laten zien dat iets mogelijk, verplicht, gewenst of toegestaan is: Ik kan zwemmen. / Ik moet werken. In sommige talen doe je dat met een uitgang aan het werkwoord. In het Nederlands gebruik je een apart werkwoord.
Modale werkwoorden kom je in het dagelijks leven en in officiële brieven heel vaak tegen: U moet het formulier invullen. / Hier mag u niet parkeren. Om een regel in een brief te begrijpen, is het vaak genoeg als je het modale werkwoord begrijpt.
Modale werkwoorden zijn onregelmatig; let vooral op de vormen bij ik en hij: hij kan, hij wil, hij mag krijgen geen -t. moeten is wel regelmatig. In een vraag met jij/je: Kun je…?, Wil je…?, Mag je…?
| kunnen | moeten | willen | mogen | |
|---|---|---|---|---|
| ik | kan | moet | wil | mag |
| jij / je | kunt (kan) | moet | wilt (wil) | mag |
| u | kunt | moet | wilt | mag |
| hij / zij | kan | moet | wil | mag |
| wij / jullie / zij | kunnen | moeten | willen | mogen |
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Kies de goede vorm: Hij ___ goed koken.
Choose the correct form: He can cook well.
kunnen is onregelmatig: hij kan, zonder -t.
Kies de goede vorm: Hij ___ goed koken.
Maak een account en krijg met Premium toegang tot alle uitleg, toelichtingen en proefexamens. Je kunt Premium eerst gratis proberen.